Onderzoek: kinderen in Nederland willen vaker buitenspelen maar dít houdt ze tegen
In dit artikel:
Jantje Beton en branchevereniging Spelen & Bewegen ondervroegen 1.136 kinderen (6–12 jaar) en vinden dat buitenspelen weliswaar licht is toegenomen — gemiddeld 7,6 uur per week versus 7,2 uur in 2024 — maar dat veel kinderen nog vaker naar buiten willen. De grootste belemmering is niet langer alleen elektronica: 4 op de 10 kinderen noemt het ontbreken van een speelmaatje als belangrijkste reden. Dat kan een neerwaartse spiraal veroorzaken: als weinig kinderen buiten zijn, haakt de rest ook af.
Andere veelgenoemde oorzaken zijn digitale speelmogelijkheden en aantrekkelijker binnenspeelgoed (beide ~3 op de 10), en ruim 2 op de 10 kinderen zeggen dat er buiten te weinig leuks te doen is. Er bestaan bovendien duidelijke verschillen tussen stad en platteland: kinderen in landelijke gemeenten spelen gemiddeld 8,7 uur per week buiten en geven het buitenspelen een rapportcijfer van 8,4, terwijl kinderen in grote steden gemiddeld 6,9 uur buiten zijn en een 7,8 scoren. Ruim een derde heeft geen speelplek binnen 200 meter.
Jantje Beton waarschuwt voor ongelijkheid in speelruimte — “Buitenspelen is geen luxe, het is een basisvoorwaarde voor een gezonde jeugd” — en wijst op het belang van speelplekken voor motoriek, zelfvertrouwen, samenwerken en probleemoplossend vermogen. De uitkomsten duiden op een behoefte aan meer toegankelijke speelruimte en initiatieven die samen buitenspelen in stedelijke wijken stimuleren.