Fiona (43) is bewust kinderloos: 'Het moederschap heeft een gekke uitsluiting'
In dit artikel:
Fiona Fortuin (43) koos bewust voor een leven zonder kinderen en vertelt hoe hardnekkig de maatschappelijke verwachting van moederschap nog altijd is. Tijdens de coronapandemie merkte ze dat die druk zelfs in isolatie opduikt: in een eenzame, beklemmende periode vroeg ze een vriend of hij zijn zaad wilde doneren — een vraag die hij herhaaldelijk afwees en die haar deed beseffen hoezeer het idee van een gezin haar werd opgedrongen, ook al had ze nooit echt een kinderwens. “Ik denk nu echt geen enkele seconde in mijn leven: had ik maar een kind gehad,” zegt ze, inmiddels overtuigd van haar keuze.
Als kind voelde Fortuin zich anders dan leeftijdsgenootjes; typische verwachtingen voor meisjes trokken haar niet. In haar twintiger- en dertigerjaren speelde de vraag naar kinderen nauwelijks, maar na haar 35ste kwam die socialer en harder op haar pad. Vriendschappen veranderden: mensen met kinderen zoeken vaak elkaar op en zij verloor aansluiting bij vrienden die andere levenspaden kozen. Tegelijk zette corona het gevoel van uitsluiting en onzichtbaarheid verder in de verf; beleidsmatig en sociaal leek de focus op gezinnen te liggen, waardoor alleenstaanden en niet-moeders zich niet volledig erkend voelden.
Om helder te krijgen wat zij zelf écht wilde, hield Fortuin een ‘bezinningsmaand’: ze trok zich terug, stopte met werk, social media, alcohol en tv, en schreef alles op. Die periode was heftig — emotioneel en fysiek — maar leidde tot meer duidelijkheid. Ze concludeerde dat haar eventuele overwegingen om kinderen te nemen eerder door maatschappelijke verwachtingen werden aangestuurd dan door een echte innerlijke wens. “Het is op een bepaalde manier ook een daad van verzet,” zegt ze over het kiezen voor een ander levenspad.
Fortuin ervaart veel vooroordelen tegenover niet-moeders: dat ze niet zorgzaam zouden zijn, dat ze alleen maar op stap zijn, of dat hun huizen minder waard zouden zijn als er geen kamer bestemd is voor een kind. Ze merkt ook sociale uitsluiting: tijdens gesprekken in gezelschappen vol moeders wordt ze soms letterlijk of figuurlijk gepasseerd omdat het onderwerp ‘kinderen’ wordt gezien als iets waarin zij niet kan meepraten. Tegelijk benadrukt ze dat haar dagelijkse leven weinig verschilt van dat van moeders — werken, huishouden, vroeg opstaan — maar dat ze wél de vrijheid heeft om te studeren, sporten en anders te leven.
Fortuin roept op tot meer openheid en wederzijds begrip. Ze raadt twijfelende vrouwen aan hun onzekerheid bespreekbaar te maken en niet te zwijgen onder sociale druk; vaak blijkt de omgeving niet te verwachten dat iemand kinderen móet nemen. Aan mensen die vragen wanneer iemand kinderen krijgt, adviseert ze om te bevragen waarom ze die vraag stellen en niet klakkeloos te blijven herhalen: “Zeg wat je vindt en ga niet schaapachtig lachen.” Ze vraagt ook actief om uitgenodigd te worden voor kinderverjaardagen — juist om erbij te horen en te laten zien dat je geen bedreiging vormt voor vriendschap omdat je geen kinderen hebt.
De grotere context is dat geboortecijfers dalen en steeds meer huishoudens alleenstaand zullen zijn; ondanks die demografische veranderingen blijft het gezin als norm hardnekkig inbeeld en beleid. Fortuin wil met haar verhaal laten zien dat er zinvol en waardevol geleefd kan worden buiten die norm, en dat niet-moederschap geen gebrek maar een andere, bewuste levenskeuze is.