Fatima (43) over opvoeden tussen twee culturen: 'Ik vind het belangrijk om de kinderen gastvrijheid en verbinding met familie mee te geven'
In dit artikel:
Fatima Bouddokar (43) groeide op als kind van de eerste generatie Marokkaanse gastarbeiders in Nederland. In de jaren tachtig verhuisde haar grote gezin uit Noord-Marokko naar een dorp van ongeveer duizend inwoners waar zij en haar familie al snel als de ‘buitenlanders’ werden aangemerkt. Als kind maakte ze regelmatig racistische opmerkingen en uitsluiting mee, en thuis voelde ze ook de sociale en financiële beperkingen die voortkwamen uit het grote gezin en het overlevingsdenken van haar ouders.
Die dubbele ervaring — buitensluiting in de Nederlandse samenleving en nadruk op afstand tot Nederland thuis — liet diepe sporen achter in haar zelfbeeld. Ze voelde zich minderwaardig en hield lang vast aan een overcompenserend gedrag. Op haar zesendertigste leidde dat tot een burn-out die haar dwong stil te staan bij wie ze was en welke rol haar culturele achtergrond daarbij speelde.
Nu is Fatima moeder van twee kinderen van veertien en elf jaar en kiest ze bewust voor een andere opvoedstijl: ze omarmt zowel de Nederlandse als de Marokkaanse cultuur. Haar kinderen groeien op als derde generatie Marokkanen in een diverse wijk; Nederlands is hun hoofdt taal en ze voelen zich daar op hun gemak. Fatima stimuleert openheid en vrijheid thuis—fouten mogen gemaakt worden, taboes bespreekbaar—en wil dat haar kinderen niet vastzitten in het strikte traditionele patroon dat zij zelf meemaakte.
Tegelijkertijd hecht ze eraan dat ze hun Marokkaanse roots kennen: kennis van familiegeschiedenis, verbondenheid, gastvrijheid en saamhorigheid. Die waarden ziet ze als een tegengewicht tegen het Nederlandse individualisme. Omdat ze professioneel trainingen over diversiteit en inclusie geeft, komt begrip voor gelijkwaardigheid natuurlijk in huis terecht.
Vakanties naar Marokko maakt ze nog altijd, maar het contact met uitgebreide familie is minder intens dan vroeger omdat veel familieleden zijn overleden. Een pijnpunt blijft het ontbreken van overdracht van de Riffijnse taal: in huis werd vooral Nederlands gesproken, waardoor de kinderen slechts een paar basiswoordjes Riffijns kennen. Haar moeder had liever gezien dat de kleinkinderen de taal beheersten; Fatima betreurt dat ze hierin geen bewuste keuze heeft gemaakt.
De kinderen zijn nu trots op hun dubbele identiteit en kunnen moeiteloos schakelen tussen traditionele Marokkaanse omgevingen en Nederlandse contexten. Fatima hoopt dat ze later terugkijken op hun jeugd als een verrijking. Tegelijk blijft er een zorg: ze vreest mogelijke discriminatie of uitsluiting in een polariserend Nederland en wil dat haar kinderen genoeg kansen krijgen.
Fatima’s verhaal illustreert de balansvraag van opgroeien tussen twee culturen: actief doorgeven van roots en tegelijk ruimte bieden aan de cultuur van het land waarin je kinderen opgroeien — inclusief de moed om taboes te doorbreken en taalverlies te erkennen.